contact veldkei@live.nl
De. provincie Drenthe is uniek te noemen. Nergens anders in Nederland zijn zoveel zichtbare en onzichtbare archeologische vondsten gedaan en zijn er nog zoveel monumentale overblijfselen zichtbaar in het veld aan te treffen.
De meest bijzondere monumenten zijn de hunebedden. Iedereen die in Drenthe is komt vroeg of laat in aanraking met één van deze oudste monumenten van Nederland
De eerste bewoners van Drenthe
Ongeveer 14.000 jaar geleden aan het einde van de laatste ijstijd, leefden de mensen als jager en verzamelaar en liepen over de hogere zandgronden van Drenthe. Het waren nomaden die rondzwierven en geen vaste verblijfplaats hadden. Dit ging duizenden jaren zo door zonder al te grote veranderingen.
Na een overgangstijd waarin naast het jagen en verzamelen langzaam aan werd begonnen met landbouwactiviteiten kwamen rond 3400 voor Christus de eerste landbouwnederzettingen tot stand. Er ontstonden kleine dorpjes bestaande uit enkele families die in boerderijen woonden.
Deze mensen hadden opmerkelijke begrafenisrituelen. Zij bouwden de eerste hunebedden zoals wij die nu nog steeds in het Drentse landschap terug zien
Ook het aardewerk had een eigen vorm ontwikkeld. De meest in het oog springende vorm van het aardewerk was een beker met een trechtervormige hals en daarom noemen archeologen de landbouwers van toen het Trechterbekervolk.
Het verhaal achter de hunebedden
Hunebedden zijn meer dan 5000 jaar oud, ze zijn gemaakt van grote zwerfstenen die duizenden kilo’s wegen. Deze stenen zijn in voorlaatste ijstijd vanuit Scandinavië met het ijs meegekomen en liggen verspreid door Drenthe. Het Trechterbekervolk heeft dankbaar gebruik gemaakt van deze stenen om er grafmonumenten van te maken.
De hunebedden zijn heel doordacht geconstrueerd, ook al lijkt het alleen maar een stapel grote stenen. Allereerst werden de reuzenstenen uitgegraven en naar de plaats van bestemming versleept. Meestal is dat een hoog punt in het landschap. Met vereende krachten werden de gevaarten naar boven getrokken. Puur mensenwerk? Waarschijnlijk wel.
Het gebruik van hunebedden duurde tot ongeveer 2850 voor Christus. Er werden vanaf toen grafheuvels gebouwd zonder de stenen skeletten. Vermoedelijk kregen alleen vooraanstaande mensen de eer om in een grafheuvel te worden gezet. Er zijn meerdere soorten grafheuvels ontstaan in de loop van de tijd. We noemen deze periode de Jonge Steentijd, deze duurde tot ongeveer 2000 voor Christus.
Ook in de volgende tijd, de Bronstijd, werden vele grafheuvels gebouwd. Dit ging nog lange tijd door. In een grafheuvel te Odoorn is aangetoond dat er in 800 v. Chr. nog urnen in de heuvel zijn bijgezet.
Een zwerfsteen (ook wel erratische blok genoemd) is een steen of kei die door het landijs tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, mee is gevoerd. Ze worden ook wel zwerfkeien of veldkeien genoemd. Kleine exemplaren noemt men kinderkopjes, terwijl ze in Drenthe in het algemeen flint worden genoemd. De grootste zwerfsteen van Nederland is op dit moment de Zwerfsteen van Rottum.
Zwerfstenen komen in Noord-Nederland, dat destijds met landijs bedekt was, veelvuldig voor. De landijsbedekking had zijn zuidelijke grens tot aan de lijn Haarlem, Utrecht, Nijmegen. Ten zuiden van deze lijn komen geen zwerfstenen in de natuur meer voor.
Zwerfstenen vindt men veel in keileem, een zeer vaste leemachtige grondsoort die de gletsjers in Noord-Nederland achterlieten. Opduikingen van keileem komen voor in Gaasterland (Zuid Friesland), de Havelterberg, Schokland en Urk in de Noordoostpolder en op Wieringen en Texel.
Veel zwerfstenen zijn gebruikt in constructies zoals hunebedden, wegen en dijkbekleding. Bij oude boerderijen gebruikte men een grote zwerfsteen als fundering voor het gebint.
Zwerfstenen in Nederland hebben hun oorsprong in Scandinavië. Dit is na te gaan door de gesteentekenmerken te vergelijken met die van het moedergesteente in die gebieden. Zo is te reconstrueren waar precies in Scandinavië deze stenen vandaan kwamen.
Voor meer info over deze site veldkei@live.nl
Het ontstaan en de ontwikkeling van het Drentse landschap.
Landschapsgeschiedenis is voor een belangrijk deel de manier waarop generaties bewoners in het verleden zijn omgegaan met de mogelijkheden en beperkingen die de natuur hun bood.
De provincie Drenthe wordt gedomineerd door het zogenaamde esdorpenlandschap, dat tot de oudste cultuurlandschappen van Noordwest-Europa behoort.
Men zou kunnen stellen dat de basis van het Drentse landschap gelegd is door drie achtereenvolgende ijstijden die vanaf 680 duizend jaar geleden invloed gehad hebben op de vorming van de bodem. De eerste ijstijd heeft gezorgd voor de Drentse potkleigebieden, die ten zuiden van de Elsterien landijskap ontstaan zijn op de bodem van grote meren met dooiwater. Die potklei is nu te vinden in de gemeente Noordenveld (in ruime mate), ten noorden van Anderen, ten zuiden van Hooghalen en op een paar plekken bij Lhee in het zuidwesten van de provincie.
De tweede ijstijd liet in Drenthe een metersdikke laag keileem, rijkelijk bestrooid met zwerfstenen, achter: het Drents Plateau. Toen het ijs op dit plateau smolt, gaf het afstromend water vorm aan de tientallen grote en kleine beekdalen die tot op de dag van vandaag het landschap van Drenthe bepalen
In de laatste ijstijd (die tienduizend jaar geleden eindigde) werd Drenthe zelf niet bedekt door ijs, maar ijzige poolwinden voerden grote hoeveelheden fijn zand uit het droogliggende Noordzeebekken aan, die het plateau toedekten met dekzand.
Uit deze ijstijd stammen ook de talrijke vennen en meertjes op het Drents Plateau (meestal ‘dobben’ of ‘veentjes’ genoemd). Sommige hiervan zijn ontstaan als komvormige uitblazingslaagten in het dekzand, andere behoren tot de zogenaamde pingoruïnes (‘pingo’ is een woord van de Eskimo’s, dat in de vorige eeuw gebruikt werd door geologen om een bepaald verschijnsel uit deze IJstijd mee aan te duiden).
Een pingo was een heuvel met een ijskern, ca 20.000 jaar gelden ontstaan als gevolg van opvriezing van ijs enkele meters onder de oppervlakte. Omdat het ijs van wege de bevroren ondergrond niet naar beneden kon uitzetten, werkte het zichzelf omhoog tot een heuveltje en nam grond mee naar boven. Tijdens het smelten gleed die grond langs de ijskern af en vormde zo een lage aarden wal. Op de plek van de ijskern ontstond een twee tot tien meter diep gat, gevuld met water. In de navolgende perioden werden veel van deze meertjes opgevuld met veen, en uiteindelijk in onze tijd door de mens uitgegraven om als brandstof gebruikt te worden. Veel veentjes zijn daardoor weer open water gaan bevatten. De grootste pingo van Drenthe is het Esmeer ten westen van Norg. Ten opzichte van pingo’s zijn uitblazingslaagten veel minder diep.
Toen na de laatste IJstijd de temperatuur ging stijgen, kregen plantenwortels vat op het dekzand en op die plaatsen ontstonden dekzandruggen, afgewisseld met laagten waar het zand juist uitgestoven werd. Naarmate het warmer werd, steeg de zeespiegel, met het gevolg dat rivieren en beken hun water minder gemakkelijk konden afvoeren en het overal een stuk natter werd. De keileemlaag op het plateau was slecht waterdoorlatend, zodat er ook bovenop in de brongebieden van de beken en in de dalen waar de keileem niet al uitgesleten was, veenvorming kon plaatsvinden. Door de hogere temperatuur en het vocht werd het Drents Plateau geheel bedekt met bossen, maar er kwamen ook hele gebieden onder water te staan en langs de randen ontstonden moerassen. De eerste bomen die verschenen waren de Grove den,de Berk en de Jeneverbes (tienduizend jaar geleden), later de Linde, de Eik en de Iep(zevenduizend jaar geleden).
In Drenthe heeft de prehistorische bewoningsgeschiedenis een zeer grote erfenis nagelaten.
Maar de mens is pas invloed op het landschap uit gaan oefenen toen hij van jager landbouwer werd (4400 v. Chr.), omdat hij daarvoor stukken bos moest gaan kappen of afbranden.
Deze prehistorische mens woonde op de lichte, leemarmere zandgronden, waar hij toen met de beperkte middelen die hij had, in staat was de niet zo zware bossen te ontginnen.
Landbouw deed de bevolking toe nemen, de onbemeste akkers werden snel uitgeput, en steeds meer bosgebied moest worden omgezet in akkergrond. Op zo’n uitgeputte bodem kan alleen heide gedijen, dus de eerste Drentse heidevelden moeten al minstens 3000 jaar geleden ontstaan zijn.
Toen het omstreeks 800 v. Chr. warmer werd, waardoor het grondwaterpeil ging stijgen en de hoogveengroei versnelde, werden steeds grotere delen van Drenthe onbewoonbaar. In het noorden, oosten en zuidwesten waren ontoegankelijke moerasgebieden, bestaande uit ongerepte broekbossen, zeggemoerassen en hoogveengebieden.
Aan het einde van de vroege Middeleeuwen (rond 1000 n. Chr.) bestond 40% van Drenthe uit hoogveen. Op de hogere zandruggen en de zandeilanden tussen de beekdalen kon men nog goed wonen en door de verbeterde techniek kon men de zwaardere keileemgronden, waar de oerbossen op groeiden, ook gaan ontginnen.
Vanaf deze tijd begon een cultuurlandschap langzaam maar zeker vorm te krijgen. Er ontstonden dorpen tussen de beekdalen en de hogere gronden. De Drentse boeren waren op de eerste plaats landbouwers en zij hadden hun landbouwgronden op een of twee grote open akkercomplexen vlak bij het dorp.
Deze gemeenschappelijke essen waren opgebouwd uit grote ontginningsblokken, die weer onderverdeeld waren in smalle stroken, van elkaar gescheiden door smalle greppels en grasstroken. Een zandwal begroeid met bomen en struiken, de zg. eswal, omgaf de es ter voorkoming dat er vee over rond ging zwerven. Langs de rand lagen soms restanten van de vroegere bossen, waarmee het keileemplateau begroeid was geweest. Zo’n afgeperkt bos (het ‘holt’) werd gebruikt voor timmerhout.
Het feit dat de essen vaak duidelijk hoger liggen dan het omringende landschap heeft niet alleen met de oorspronkelijke natuurlijke omstandigheden te maken. Om de essen vruchtbaar te houden waren grote hoeveelheden mest nodig. In de potstal (een stal met een verdiepte bodem) vormde de mest van het vee, vermengd met stro en plaggen, een dikke laag die op gezette tijden over de es werd verspreid. Op den duur kregen de essen een bolle vorm vanwege de toegevoegde lagen mest en zand.
De nabijheid van water was belangrijk, want in het oude Drentse boerenbedrijf waren de ‘groenlanden’ van het beekdal onmisbaar, omdat het dorp daar zijn vee weidde. De nattere delen dichter bij de beek, de ‘made/maatlanden’, gebruikte men als hooilanden. Runderen werden destijds meer voor de mest dan voor het vlees of de melk gehouden.
Het grootste deel van de grond rond het dorp was ‘het veld’, vaak heide in combinatie met kruiden en grassen; vochtige heide op matig ontwaterde zand- of keileemgronden, droge heide op lichte goed ontwaterde zandgronden.
Aanvankelijk bestond de veestapel van de Drentse boer hoofdzakelijk uit runderen, enkele varkens, wat geiten, en maar soms een paar schapen. Pas vanaf de tweede helft van de vijftiende eeuw kwam de schapenhouderij in opkomst, toen er vanuit Noord-Nederlandse steden vraag naar inlandse wol kwam. Hierdoor gingen op de veldgronden bij de esdorpen kruiden en grassen massaal plaats maakten voor heide. Er werden afspraken gemaakt over het aantal schapen dat men per ‘waardeel’(het stukje van de gemeenschappelijke veldgrond, dat aan iedere individuele boer werd toegekend) mocht weiden, in verband met overbegrazing. Desondanks ontstonden er in de loop van de tijd toch grote zandverstuivingen als gevolg van de intensieve begrazing en het steken van heideplaggen. Deze zandverstuivingen waren vooral een grote bedreiging voor de essen; zand verstikte snel de jonge aanplant en een zandstorm kon een hele oogst doen mislukken.
De uitvinding van de kunstmest bracht overal verandering in, omdat het landbouwsysteem toen niet langer afhankelijk meer was van de mest uit de potstal.
Aan het einde van de negentiende eeuw brak het tijdperk van de grote ontginningen aan. De Drentse heide moest het veld ruimen voor de landbouw. Na de ontginning werd op de slechtere delen doorgaans meteen productiebos aan gelegd; eigenlijk akkers met bomen, waarbij de verkoop van hout centraal stond in de exploitatie van deze bossen. Pas in de jaren zestig kregen de staatsbossen een meer recreatieve functie.
Van de oude Drentse essen is heel weinig meer over. De akkertjes zijn meestal door kavelruil opnieuw verdeeld tot efficiëntere percelen.
De groenlanden langs de beken verloren in de twintigste eeuw hun functie, toen ten behoeve van de landbouw het grondwaterpeil vrijwel overal decimeters ging dalen. De beken werden rechtgetrokken en zo breed gemaakt, dat de stroom snel het vele water kon afvoeren. In het jargon van de jaren vijftig en zestig heette dat ‘normaliseren’.
Vanaf de jaren negentig beijveren natuurorganisaties, zoals Staatsbosbeheer en Het Drentse Landschap, zich d.m.v. natuurontwikkelingsprojecten om beekdalen waar mogelijk weer te herstellen, en op oude esgronden weer traditionele teelten met de daarbijbehorende akkerkruiden terug te brengen.
De veengebieden van de provincie waren in de vroege Middeleeuwen de ontoegankelijke moerasgebieden aan de randen van het Drents Plateau. Vanaf ongeveer de elfde eeuw tot halverwege de twintigste eeuw zijn deze lagere delen geleidelijk aan ontgonnen voor de turfwinning. De grote veenmoerassen werden door kanalen en wijken ontwaterd en het veen werd afgegraven. Het landbouwgebied dat hierdoor ontstond, wordt gekenmerkt door rechte lijnen en veel lintbebouwing. De plaatsnamen bevatten vaak woorden die nog verwijzen naar het vroegere landschap, zoals veen, peel, moer, wold, kanaal en wijk. Er zijn nog twee gebieden die niet volledig ontgonnen zijn en waar het oorspronkelijke hoogveen nog aanwezig is: het Bargerveen in het uiterste zuidoosten van Drenthe en het Fochteloërveen in het noordwesten op de grens met Friesland.
Sinds het einde van de vorige eeuw zijn steeds meer mensen anders over de betekenis van de natuur gaan denken. Door de aankoop van grote gebieden in Drenthe en een zorgvuldig beheer hiervan, zetten een aantal natuurorganisaties zich sinds die tijd in voor het behoud van het oude landschap.
Marianne Verbeke
(Geraadpleegde literatuur:
Theo Spek: Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie. 2dln. Utrecht, 2004.
Het Drentse Landschap. Handboek. Assen, 2003.
Atlas van Historische Topografische Kaarten. Drenthe. Landsmeer, 2007.)





